Hebben patiënten met een lange ziektevrije overleving na chirurgie voor colorectale levermetastasen nog intensieve follow-up nodig?


B. Galjart, E.P. van der Stok, D.J. Grünhagen, J. Rothbarth, C. Verhoef

Voorzitter(s): P. van Duijvendijk & J.M.T. Omloo

Vrijdag 29 mei 2015

9:50 - 10:00u in Zaal 80/81

Categorieën: vrije voordracht, gastro-intestinale chirurgie

Parallel sessie: V14 HPB III en Video


Introductie:
Na resectie van colorectale levermetastasen (CRLM) krijgt 70% van de patiënten terugkeer van ziekte. Deze recidieven treden grotendeels op binnen twee jaar. Echter, de follow-up na resectie beslaat vijf jaar, waarmee de vraag naar de noodzaak van een dusdanig lange follow-up zich opdringt. Door middel van het vaststellen van het recidief patroon na drie jaar en het in kaart brengen van diagnostiek en behandeling, richt deze studie zich op het optimaliseren van de huidige follow-up.

Methode:
Alle 608 patiënten die tussen januari 2000 en november 2011 met curatieve intentie geopereerd zijn voor CRLM werden geïncludeerd en alle patiënten met een ziektevrije overleving van > 3 jaar werden geïdentificeerd. De verschillende diagnostische modaliteiten gedurende de follow up, clinico-pathologische karakteristieken en type behandeling van eventuele recidieven werden geanalyseerd.

Resultaten:
Er zijn vier patiënten lost to follow-up, waarmee 604 patiënten in aanmerking kwamen voor analyse. 148 patiënten hadden een ziektevrije overleving van minimaal 3 jaar. Van deze groep ontwikkelde 31 patiënten alsnog een recidief (21%). Het serum CEA was verhoogd in 21 patiënten (68%). Locatie van het recidief was meestal de long (37%). In bijna de helft van gevallen kon nog lokale therapie (chirurgie, RFA, radiotherapie) toegepast worden.

Conclusie:
Deze studie toont dat ook na drie jaar een aanzienlijk deel van de patiënten nog recidieven ontwikkelt, welke veelal nog met lokale therapie behandeld kunnen worden. CEA lijkt ook op langere termijn een zinvol diagnosticum, maar meer onderzoek is noodzakelijk om te bepalen welke diagnostische modaliteit en frequentie optimaal is in de follow-up.